OMSK/LOTTE VAN DEN BERG /

NL/ENG

De ruimte tussen mensen

Iemand vroeg me een paar weken geleden: ‘Hoe denk jij dat Het Theater er over vijftig jaar zal uitzien?’ Ik antwoordde direct, zonder erbij na te denken: ‘Ik hoop dat Het Theater dan niet meer bestaat.'

De tijd uitrekken Joe (een Indiaan uit het Great Lake District in Canada, oranje fleecetrui, gymschoenen, jeans) leeft met een voortdurend besef van zeven generaties voor en achter zich. Hij vertelt me hoe hij bij het maken van een belangrijke keuze de impact van die keuze eerst zeven generaties in de toekomst projecteert, dan zeven generaties in het verleden. Ik besef dat de tijdzone waarin ik leef, klein is. Ik besef dat ik alleen in mijn eigen tijd leef. Ik verlang ernaar de tijd om me heen uit te rekken, mijn voorouders te leren kennen, een geloof te ontwikkelen in de tijd na mij, de tijd zonder mij. Als tijd een ruimte is waarin je verblijft, stel ik me voor dat de muren die er altijd stonden langzaam verbrokkelen. Dat ik met mijn denken de ruimte openbreek. Dat er nieuwe ruimte, nieuwe tijd vrijkomt.

Een ruimte zonder muren Het theater is een ruimte zonder muren. Een ruimte zonder tribune, zonder podium, zonder foyer en zonder garderobe. Theater vindt plaats in de ruimte tussen mensen. We komen samen, delen de tijd en onze verhalen. Dat is theater. Niet meer en niet minder.

Begrafenis Ik ben laat. De kerk is vol. Er wordt een jonge man begraven. Ik ken zijn broer. Vooraan zie ik hem zitten, naast zijn vader. Achteraan, op een kleine verhoging, is er nog plaats. Een kerk vol gebogen ruggen strekt zich voor me uit. Ruggen in pak. Donkerblauw, zwart. Af en toe een jurk. Het verdriet heeft zich vastgezet in de schouders. Als eenzame dieren wachten ze op aanraking. Slechts centimeters verwijderd van elkaar, stoel aan stoel, rij na rij. Een kleine aanraking, een per ongeluk stoten, zou een opluchting zijn. Maar een uur lang raakt niemand iemand aan. Wordt nergens een hand op een schouder gelegd. Dan breekt de broer. Hij pakt zijn vader vast en huilt. Alle aanwezigen halen opgelucht adem. Even werd iedereen aangeraakt. Dan gaan vader en zoon weer zitten en vallen we terug in het oude stramien. Samen alleen.

Ingang, deur, opkomst Theater is ontmoeting, blijven we herhalen. We delen tijd en ruimte. We zijn aanwezig. We hopen aanwezig te zijn. We zitten naast elkaar, kijken naar elkaar en hopen er samen te zijn. ‘Zolang we niet door dezelfde deur binnenkomen, zijn we niet samen’, zegt een acteur met wie ik werk. De artiesteningang, de entree. Twee deuren tot dezelfde kamer.

Toeschouwers die wegkijken Ik moet denken aan een scène uit Nostalgia van Tarkovski. Een oude man staat bovenop een stenen paard op een immens Italiaans plein omgeven door trappen en kolossale gebouwen. In één lange beweging filmt Tarkovski vooral de mensen die luisteren, of beter gezegd, niet luisteren. Lethargisch staren ze voor zich uit. De oude man roept zo hard hij kan.

Welke voorouder spreekt er nog in me?

Ik kan niet tegelijk in mijn hoofd en in mijn lichaam leven. Daarom lukt het me niet om één en dezelfde persoon te zijn. In één moment kan ik eindeloos veel verschillende dingen voelen.

Het echte kwaad van onze tijd is dat er geen grote meesters meer zijn. De weg van ons hart is bedekt met schaduwen. We moeten juist naar de stemmen luisteren die nutteloos lijken. In onze breinen, compleet gevuld met de lange rioleringsbuizen van schoolmuren, asfvalt en medische assistentie, moet het gezoem van insecten eindelijk weer eens doordringen. Een ieders oren en ogen moeten gevuld worden met dingen die het begin vormen van een grote droom. Iemand moet schreeuwen dat we piyramides gaan bouwen. Het geeft niet als we dat vervolgens niet doen. De wens moet gewekt worden. We moeten de geest alle kanten op trekken, alsof het een oneindig rekbaar laken is.

Als jullie willen dat de wereld vooruit gaat, dan moeten we de handen ineenslaan. We moeten ons vermengen, de zogenaamde gezonden met de zogenaamde zieken. Hé gezonde mensen! Wat betekent jullie gezondheid? Alle ogen der mensheid zijn gericht op het ravijn, waar we allemaal in zullen vallen. Aan de vrijheid hebben we niets, als jullie ons niet aan durven te kijken. Als jullie niet met ons eten, drinken, slapen. Juist de zogenaamde gezonde mensen hebben de wereld op de rand van een catastrofe gebracht.

Ik sluit een nieuw verdrag met de wereld: laat de zon ‘s nachts schijnen en sneeuw in augustus vallen. De grote dingen komen ten einde, de kleine dingen duren voort. De maatschappij moet weer een geheel worden en niet zo verbrokkeld. We moeten terugkeren naar de basisprincipes van het leven, zonder het water te vervuilen.

Wat is dit voor soort wereld als een gek jullie moet vertellen dat jullie je zouden moeten schamen?... En nu muziek!

De man overgiet zichzelf met benzine.

Dit ben ik vergeten

O moeder, o moeder

De lucht is gewichtloos, cirkelt rond je hoofd

en wordt helderder wanneer je lacht

De mensen op het plein zwijgen en kijken weg. Een grote herdershond, vast gebonden aan een stenen pilaar, blaft en probeert zich los te rukken. De oude man valt brandend op de grond.

In de kerk gedwongen Een aantal jaren geleden bezocht ik in Salvador (Brazilië) een Candomble avond. Slaven werden door de Portugese kolonist de kerk in gedwongen. In rechthoekige gebouwen met kerkbanken in rijen moesten ze de katholieke mis opdragen. Ze ontwikkelden er hun eigen ritueel, de Candomble. De avond begint rustig. De bezoekers zitten in de kerkbanken, de priester staat vooraan. Het altaar is als een podium. Er besluipt me het onaangename gevoel dat hier een toneelstukje wordt opgevoerd. Niet langer voor de kolonisten, maar nu voor ons, de toeristen. Dan, langzaam, verandert alles. De ruimte, de verhoudingen. Op de plek van het altaar wordt nu in het rond gedanst. Mensen komen van overal, staan op van de banken. De tweedeling tussen tribune en podium, tussen kerkbanken en altaar, verdwijnt. De kerk lijkt weer dorpsplein geworden. Ze deden even alsof ze de mis opdroegen, waren korte tijd gehoorzaam aan de ruimte die toekijken dicteerde, om vervolgens diezelfde ruimte volledig te ontkennen. Het rechthoekige gebouw, de muren: slechts een tijdelijke mal. In trance dansen mensen door het zand. Iemand slaakt kreten, valt en wordt overeind geholpen. Ogenschijnlijke chaos met zorg uitgevoerd. Rond en rond dansen de mensen. Alle aandacht op elkaar. Nu zijn het alleen nog de toeristen die braaf in rijen op de banken zitten. Zij doen niet mee. Zij kijken toe. Verroeren zich niet.

Afbreken om weer op te bouwen Ergens in Japan breken ze iedere tien jaar hun klooster af om het vervolgens weer op te bouwen. Om te weten hoe het gebouwd wordt, waarom het gebouwd wordt. Om door te geven, over te dragen. Zijn wij daartoe in staat? Afbreken om weer op te bouwen? Wat zou er gebeuren wanneer we alle theaters en schouwburgen zorgvuldig zouden afbreken? Stenen bij de stenen, stoelen bij de stoelen, koffiekopjes, gordijnen. Alles uitgestald. En dan weer opbouwen. Wat zouden we dan bouwen? Precies hetzelfde? 

Een open plek tussen de mensen De zus van de bruid gaat dansen. Iedereen staat op, schuift zijn stoel naar achteren, maakt ruimte. Ze komt aangelopen. Verlegen, want nu moet ze. Er is een open plek gemaakt, een kleine open ruimte tussen de mensen. Rondom stoelen, daarachter mensen op tafels, staand. Schoorvoetend begint ze haar dans. Zonder muziek. Iedereen houdt zijn adem in. Als dit maar goed gaat. Heel langzaam verovert ze de ruimte, de mensen. De verkeerde muziek wordt opgezet. Ze houdt vol. De goede muziek. Energiek, vol overgave. Ze doet het, ze durft het. We kijken, naar haar en naar elkaar. Nooit eerder zag ik een publiek zo meeleven. Nooit eerder zag ik de band, de betrokkenheid, de verbondenheid tussen performer en toeschouwer zo helder: intens, direct, afhankelijk. Ze danst en kan niet zonder ons. Wij kijken en kunnen niet zonder haar. We hebben elkaar nodig om er te zijn, om er te durven zijn. Iedereen huilt. Ook de bruid.

Iemand vroeg me een paar weken geleden: ‘Hoe denk jij dat Het Theater er over vijftig jaar zal uitzien?’ Ik antwoordde direct, zonder erbij na te denken: ‘Ik hoop dat Het Theater dan niet meer bestaat.’ Ik was even stil. Geschrokken van mijn eigen vastberadenheid. ‘Ik hoop dat Het Theater dan niet meer bestaat’, herhaalde ik. ‘Dat het iets nieuws geworden is. Dat het opnieuw geworden is. Ik hoop dat we het durven. Afbreken. Openbreken.’