OMSK/LOTTE VAN DEN BERG /

NL/ENG

Agoraphobia toont de ziel van een stad

Terwijl ik onderweg ben naar de Müncher Kammerspiele, beland ik prompt in een demonstratie. Mensen hebben zich verzameld op een pleintje, Turkse vlaggen wapperen in de zon, er worden politieke leuzen geroepen, Atatürk wordt bezongen. Afgelopen week liep ik nog rond in Beirut en vloog ik via Istanbul naar Amsterdam. Naast mij in het vliegtuig zat een Turks-Nederlandse jongen die over zijn ervaringen als demonstrant in Istanbul vertelde. Hij was met traangas bespoten, geschopt, geduwd, maar had niet opgegeven. Nu ging hij terug naar Nederland om erover te schrijven en om zijn zelfgemaakte filmpjes van de protesten online te zetten. Als we in Amsterdam het vliegtuig uitstappen en ik mijn i-Phone aanzet staat mijn Facebook vol met foto’s van de Turkse demonstratie in Amsterdam. “Die hebben we gemist”, zegt de jongen met spijt in zijn stem. 

Maar nu, geheel onverwacht, sta ik alsnog te midden van een Turkse demonstratie in München en merk dat ik ontroerd ben. In een week tijd bevond ik me op verschillende plekken in de wereld en op al die plekken word ik geconfronteerd met mensen die zich gemeenschappelijk inzetten voor eenzelfde doel. Tegelijkertijd ben ik ook verrast. Je engageren met de wereld en dat uiten door samen te komen op een plein ken ik uit de verhalen van mijn ouders uit de jaren zeventig. Ik dacht dat dat niet meer bestond. Of is er toch iets veranderd sinds de Arabische Lente en de wereldwijde Occupy-beweging? 

Ik vraag het aan theatermaker Lotte van den Berg die met haar voorstelling Agoraphobia door Europa toert en onder andere in München te zien is. Persoonlijk voelt Van den Berg sterk de behoefte om ons als samenleving te verenigen en de vraag te stellen: wie zijn we samen? Tegelijkertijd ervaart ze vanuit de samenleving ook een angst of een ‘agoraphobia’ zoals ze het noemt. Angst om massaal samen te komen, grenzen over te steken en uit onze individuele comfort zones te stappen. 

Dat het verlangen en de angst  met elkaar verbonden zijn, merkte Van den Berg in 2011. Ten gevolge van de massale bezuinigingen die de Nederlandse overheid in dat jaar aankondigde, ontstonden er overal in Nederland kleine demonstraties. Kunstenaars, verpleegkundigen, studenten, politieagenten; iedereen ging de straat op. Maar een demonstratie waar al die verschillende sectoren zich verenigden en een gemeenschappelijk idee of ideaal uitdroegen bleef uit. Van den Berg: “Na het kunstenaarsprotest is er vanuit de kunstsector een poging gedaan om met verschillende organisaties en sectoren aan tafel te gaan zitten en het protest echt groter te maken. Maar het is gewoon niet gelukt. Dat mislukte protest is voor mij direct met de vraag verbonden: hebben we een soort nationale pleinvrees, angst om met zijn allen op dat plein te gaan staan? Angst om ons met elkaar uit te spreken, om met elkaar het gesprek aan te gaan?” 

In Agoraphobia onderzoekt Van den Berg deze vragen door individu en gemeenschap radicaal ten opzichte van elkaar te plaatsen. De voorstelling centreert zich rondom een individu, te midden van een druk plein waar honderden nietsvermoedende mensen shoppen, rondlopen, foto’s maken, ijsjes eten. De man spreekt aan een stuk door, maar tegen wie? Via je mobiele telefoon kan je ieder woord dat hij zegt verstaan: “Er bestaan mensen. Die alles zeker weten. Zo iemand ben ik niet. (…) Ben ik hier goed? Wat moet ik, van hen? Wat moeten zij van mij? 

Voor Hans Kremer, vaste acteur bij de Müncher Kammerspiele, was het spelen in Agoraphobia een totaal nieuwe ervaring. Hij is gewend te spelen tussen de muren van de Kammerspiele, waar alles controleerbaar en beheersbaar is. Nu belande hij ineens in een ruimte, op een podium dat daar volledig haaks op staat: op een plein in de stad, waar dingen toevallig ontstaan en vaak oncontroleerbaar zijn. Kremer: “Spelen op een plein betekent dat ik steeds alert moet zijn voor alles wat er om me heen gebeurt. Dat vraagt van mij als speler een totaal ander bewustzijn en een andere energie.” Een energie waar Kremer enthousiast over is. “Theaters zouden vaker hun deuren naar de stad moeten open zetten. Agoraphobia voert voor mij terug naar de oervorm van theater, namelijk naar de plek waar mensen samenkomen, waar uitwisseling plaatsvindt.”

Als toeschouwer ben je je constant bewust van die uitwisseling. Het is zowel verwarrend als ontroerend om te zien hoe sommige mensen de man compleet negeren en anderen zich juist om hem bekommeren en toenadering zoeken. Het maakt je bewust van je eigen positie en de waarde van jouw blik. Je wordt je bewust van het feit dat de manier waarop je kijkt hetgeen waarnaar je kijkt kan beïnvloeden. Kijken naar iemand anders gaat niet alleen om het vastleggen een tafereel: met je blik geef je betekenis naar hetgeen waarnaar kijkt. Je voorziet het van bestaansrecht of niet. Je kan iets belangrijk maken of juist onbelangrijk. Het zegt misschien wel meer over jezelf dan over wat je daadwerkelijk ziet. In dat opzicht gaat Agoraphobia niet over de eenzame individu. Het gaat, integendeel, juist over de gemeenschap. Het geeft ons als toeschouwers een kijkje in de ziel van de stad. In hoe bewoners zich tot medebewoners verhouden, in wat voor mate er sprake is van een gemeenschapsgevoel, hoe (in)tolerant een gemeenschap is, waar we bang voor zijn of waar we naar verlangen. 

Ik vraag Van den Berg hoe zij over de toekomst denkt en of we als maatschappij in staat zullen zijn ons te verenigen en onszelf te verlossen van onze pleinvrees. Van den Berg: “Lange tijd dacht ik dat de mislukte pogingen om ons als samenleving te verbinden te maken hadden met een verlies. Ik had het idee dat we iets moesten herstellen en dat we dan pas in staat zouden zijn om een verbinding met elkaar aan te gaan. De laatste tijd denk ik daar anders over. Ik denk dat we wel degelijk verbonden zijn met elkaar, maar dat we het niet zien.” 

“Ik werkte ooit samen met een Indiaan uit Noord-Amerika. Hij vertelde me dat jezelf drie vragen moet stellen voordat je een belangrijke beslissing neemt. Allereerst moet je jezelf afvragen hoeveel impact je beslissing heeft op de zeven generaties die na jou zullen leven. Daarna vraag je jezelf af hoeveel impact je beslissing heeft op je voorvaderen, dus op de zeven generaties die voor jou leefden. En als laatste vraag je jezelf af wat voor invloed de beslissing heeft op jouw eigen leven. Toen hij mij dit vertelde stond ik versteld. Ik had nooit op die manier over mijn beslissingen nagedacht. Maar nu denk ik steeds vaker; als mijn leven zich enkel in het heden afspeelt, wat is dan precies het nut van het leven? Als ik wil geloven in iets dat groter is dan mijzelf, moet ik mijn gedachten en handelingen in een breder perspectief plaatsen en mezelf uitdagen om me bewust te zijn van het feit dat iedere gedachte en iedere handeling in verbinding staat. Die verbinding kan tot stand komen door familiebanden, zoals de Indiaan vertelde, maar er zijn nog tal van andere vormen. Het is vooral zaak dat we heel goed kijken.”